Jo Vegter, een vergeten modernist
(tekst: kunsthistoricus Huub Mous)
Jo Vegter, een vergeten modernist
27 februari 2014
‘Wie was die architect uit Friesland die in 1958 Rijksbouwmeester werd? Wat waren zijn ideeën over architectuur en stedenbouw? En waarom is er tot nu toe zo weinig aandacht aan zijn enorm brede oeuvre besteed? Deze en andere vragen kwamen boven bij bouwhistorisch ond erzoek van het ‘Slaakhuys’ in Rotterdam, dat oorspronkelijk was gebouwd voor de drukkerij en het kantoor van dagblad Het Vrije Volk in het herrezen Kralingen. Inmiddels behoort dit, samen met nog vier andere werken van ir. J.J.M. Vegter, tot de ‘Top 100′ die toenmalig minister Plasterk in 2007 als eerste reeks monumenten uit de wederopbouwperiode heeft aangewezen voor wettelijk bescherming. Toch bleef het ons verbazen dat een goed overzicht van het veelzijdig werk van de eerste Rijksbouwmeester ‘nieuwe stijl’ ontbrak.
Aldus begint de tekst van Suzanne Fischer en Marieke Kuipers is het boekje over de architect ir. J.J.M. (Jo) Vegter, dat onlangs is verschenen. Het is een nieuwsgierig makende opmaat voor een kleine, maar mooi verzorgde publicatie, die begeleid wordt door een tentoonstelling die tot 17 mei te zien is bij Tresoar in Leeuwarden. Met zo’n vraag verwacht je aan antwoord, maar nadat ik het boekje gelezen had, wist ik nog steeds niet waarom er tot nog toe zo weinig serieuze aandacht aan deze architect is besteed. Ik heb in mijn boekenkast dikke monografieën staan over twee beroemde architecten die Friesland heeft voortgebracht – Abe Bonenma en Gunnar Daan – beide uitgegeven door Uitgeverij Nai 010 in Rotterdam. Maar aan Jo Vegter is nooit een dergelijk boek gewijd. Hij is uit beeld geraakt. Uit de canon gevallen, kun je bijna zeggen. Ik heb het nog even nagekeken in het handboek van Giovanni Vanneli, Moderne architectuur in Nederland, 1900- 1940 (1978) en zelfs daarin wordt de naam Jo Vegter al vier keer genoemd, terwijl zijn belangrijkste werk toch dateert uit de periode ná de oorlog, de tijd van de wederopbouw.
Als kind al leerde ik het werk van Jo Vegter kennen, als wist ik toen nog niet dat hij het was die dat fraaie Provinciehuis van Arnhem had ontworpen. In 1958 reisde ik als kind voor het eerst alleen van Amsterdam naar Huissen, een plaatsje onder Arnhem waar drie ongetrouwde tantes van mij woonden. In de bus rijdend naar de Rijnbrug zag ik rechts het nieuwe Provinciehuis liggen en ik verbaasde me over de architectuur, waarin oud en nieuw op zo’n gewaagde manier waren samengebracht. Dit gebouw, dat in 1954 gereed kwam, is misschien wel het mooiste werk van Jo Vegter. In het boekje staat een prachtige foto die tijdens de bouw is genomen. Een bouwvakker kijkt vanuit het betonnen geraamte naar de Rijnbrug. De foto straalt vooral leegte uit. ‘De moderne leegte’, zoals Camiel van Winkel dat in zijn gelijknamige boek heeft genoemd. Het is de sfeer van de wederopbouw, en ook nog op een historische plek, met uitzicht op de brug die in het laatste oorlogsjaar een brug te ver was geweest. Dit gebouw van Vegter zou je het symbool bij uitstek kunnen noemen van het herrijzend Nederland, met bovendien een prachtig samengaan van architectuur en monumentale kunst.
Provinciehuis Arnhem
Beton en kunst vonden elkaar in die eerste jaren na de oorlog. De naoorlogse geometrisch-abstracte en neo-constructivistische kunst voelde zich thuis in deze koele sferen van woonblokken met gaanderijen. Sterker nog, ze is eruit voortgekomen. De nieuwe opvattingen over monumentale kunst ontstonden feitelijk op het eerste naoorlogse CIAM-congres in 1947 van de internationale functionalistische architectuur. Door Giedion en Arp was daar een vragenlijst opgesteld over de betekenis van de beeldende kunst voor de architectonische expressie. Er werd gepleit voor een nieuwe monumentale kunst en interdisciplinaire samenwerking, waarbij architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur en beeldhouwkunst binnen één gemeenschappelijk kader werden geplaatst.
De nieuwe vraag naar moderne monumentale kunst kwam voort uit een sociaal geïnspireerde behoefte aan een stedelijke leefomgeving die meer prikkels zou bieden voor een rijkere ervaring. De taal van de abstractie werd ingezet in de strijd voor een betere wereld, zoals eerder ook Mondriaan ervoor had gepleit om ‘het tragische aanzien’ te vernietigen van het huis, de straat en de stad. ‘Vreugde, morele en fysieke vreugde,’ zo stelde hij letterlijk, ‘zal zich verspreiden door deze oppositie van verhouding, maat en kleur.’ En Mondriaan zou Mondriaan niet zijn als hij deze gedachtelijn niet tot het uiterste zou doortrekken. ‘Met een beetje goede wil moet het niet onmogelijk zijn een aards paradijs te scheppen.’ Dit soort hemelbestormende ideeën kreeg na de oorlog een meer aardse vertaling in de monumentale kunst. De hooggespannen idealen van weleer werden vertaald naar de nieuwe tijd van de naoorlogse functionele architectuur. Utopie werd praktijk. Idealen werden getoetst aan wetten en praktische bezwaren.
Jo Vegter hoorde bij een andere tijd. Het was de tijd waarin de moderne kunst nog iets verhevens vertegenwoordigde. De elite stelde zich ten doel om het volk op te voeden met kunst. Volksverheffing en kunstspreiding waren de idealen van het modernisme, die in de wederopbouw in praktijk werden gebracht. Het waren idealen die werden uitgedragen door een elite die het voortouw nam op weg naar een betere wereld die gloorde aan de horizon. Kom daar nog eens om. Jo Vegter had meerdere maatschappelijke functies. Hij zat in allerlei besturen en zo was hij ook – wat onvermeld blijft in het boek – jarenlang voorzitter van de Maatschappij ter bevordering van Schilder en Tekenkunst, een club van Leeuwarder notabelen die belangwekkende tentoonstellingen van moderne kunst organiseerde in Het Princessehof.
Ik kan me nog goed herinneren dat ik in de kerstvakantie van 1964 in Leeuwarden een prachtige tentoonstelling zag van meesterwerken van het Duitse expressionisme. Die tentoonstelling werd georganiseerd door de Maatschappij ter Bevordering van Schilder en Tekenkunst en heeft – zo las ik laatst – slechts 1600 gulden gekost. Destijds een stevig bedrag, maar toch. Tegenwoordig zou zo’n tentoonstelling in Leeuwarden ondenkbaar zijn, alleen al door een vermogen aan verzekeringspremies.
Op 26 maart 1960 nam Jo Vegter deel aan een discussie in Kunstzaal Van Hulsen aan de Nieuwestad in Leeuwarden. Er was grafiek te zien uit Joegoslavië. De opening werd verricht door Charles Wentinck, destijds een landelijke autoriteit op het gebied van de beeldende kunst. Ook de schilder Cor Reisma nam deel aan die discussie, alsook de dirigent Alfred Salten. In die hoogtijdagen van het modernisme was het heel gebruikelijk dat exponenten van verschillende kunstdisciplines met elkaar een gesprek aangingen. Iedereen stond immers voor dezelfde zaak.
Jo Vegter was twee jaar daarvoor benoemd tot Rijksbouwmeester en had zojuist zijn postkantoor in Sneek gerealiseerd, een modern en functioneel gebouw dat onlangs is afgebroken om plaats te maken voor dat foeilelijke theater van Alberts en Van Huut. Maar ook de Ichtuskerk in Sneek was net voltooid, een kerkgebouw dat in 2007 leeg kwam te staan en onlangs een nieuwe bestemming heeft gekregen. (zie: hier). Maar dat alles lag in 1960 nog ver in het verschiet. De sfeer, die toen het gesprek in Kunstzaal van Hulsen bepaalde, lijkt vandaag de dag heel ver weg.
En toch, of misschien wel juist daardoor, staat de utopisch gezinde wederopbouwgedachte tegenwoordig weer volop in de belangstelling. Onlangs verscheen een paar prachtige boeken, zoals: Atlas van de wederopbouw in Nederland 1940-1965. Ontwerpen aan stad en land (2013), geschreven door Anita Blom, met mooie kaarten en afbeeldingen van nieuwbouwwijken en grote planologische projecten. Nederland ging op de schop na de oorlog en er werden hele buitenwijken uit de grond gestampt. Toch zul je voorbeelden uit Friesland niet of nauwelijks vinden in deze Atlas. Er wordt alleen aandacht besteed aan de herindeling van een weidegebied ten zuiden van Heerenveen, alsof er in Friesland niet gebouwd werd in de wederopbouwperiode.
Maar het moet gezegd, veel is ook verdwenen inmiddels. Zelfs het Bilgaard van Van den Broek en Bakema is niet meer wat het geweest is. En ook van Jo Vegter zijn heel wat gebouwen inmiddels al weer afgebroken. Vooral in de stad Groningen heeft wat dat betreft een kaalslag plaatsgevonden. Ik hou mijn hart vast wat er straks met het Belastinggebouw van Piet Zandstra in Leeuwarden gaat gebeuren. Samen met de bronzen sculptuur van Hein Kocken is dit een typerend voorbeeld van de naoorlogse, moderne architectuur. De Belastingdienst trekt er binnenkort uit. Het gebouw heeft weliswaar een gemeentelijke monumentenstatus, maar als er geen nieuwe bestemming komt, vrees ik het ergste.
Ook in het onlangs verschenen boek Kunst van de wederopbouw, Nederland 1940-1965, experiment in opdracht (2013) komen geen voorbeelden uit Friesland voor. Ook mijn eigen publicatie, Reizen door de tijd, publieke kunst in Friesland 1945-2005 (2005) , wordt niet in de literatuurlijst genoemd. Het lijkt of ze in Rotterdam een blinde vlek hebben voor de wederopbouwperiode in Friesland. Alleen al om die reden is de publicatie met tentoonstelling over het werk van Jo Vegter een goed initiatief.
Blijft natuurlijk de vraag waarom zijn werk in de vergetelheid raakte. Ik denk dat dit alles te maken heeft met de generatie waartoe hij behoorde. Jo Vegter werd geboren in 1906, kreeg zijn opleiding in Delft en begon zijn carrière als architect in de traditionalistische stijl van de Delftse School, geïnspireerd door zijn leermeester Granprè Molière. Na de oorlog bekeerde hij zich tot een radicaal modernist en dat bleef hij tot het bittere eind. Zelfs een van zijn grootste opdrachten – het ministerie van Financiën in Den Haag – dat in 1975 werd opgeleverd ademde nog steeds de sfeer van maakbaarheid en modernisme.
Maar de tijdgeest was toen al radicaal gekanteld. Maakbaarheid en uniformiteit hadden als adagium plaatsgemaakt voor herbergzaamheid en complexiteit. Die omslag heeft Jo Vegter niet meer kunnen maken. Hij bleef een gestaalde modernist, in tegenstelling tot Abe Bonnema, die bijna twee decennia later geboren was, in 1924, het vooroorlogse traditionalisme niet bewust had meegemaakt, er zich dus ook niet vanaf keerde, en die begin jaren zeventig plotseling van stijl wisselde alsof hij een jas uittrok. Bonnema waaide met alle winden mee, zo werd wel beweerd. Hij was kameleontisch. Jo Vegter bleef het geloof in zijn principes trouw. Hij geloofde echt in het modernisme. Zo sterk zelfs dat hij uiteindelijk bijna vergeten werd.
Reageer
Meer berichten
- Dat vrouwen uit de architectuur verdwijnen is niet de kern van het probleem, maar een symptoom van een verziekte branche
- Het was weer een dolle boel tijdens de nieuwjaarsreceptie van de provincie Fryslân
- Burgemeester Buma, hoe zit het met ondermijning vanuit gemeentelijke organisatie? (update)
- ABNAmro: Voor 452.000 woningeigenaren moet het mogelijk zijn denken wij – samen met TNO – om met gesloten beurs te verduurzamen
- Koopwoningen in december bijna 6 procent duurder dan jaar eerder – gemiddelde transactieprijs 480.051 euro
- Werkgevers kunnen online uitingen personeel niet zomaar begrenzen – Efteling mag niet zomaar verbod instellen
- Journalist Ignace Schretlen: Je wordt als senior minder serieus genomen
- Meer arme werkenden in 2024 – Zzp’ers vaker arm
- Politici missen kennis en interesse in de bedreigingen van big tech
- Femke Molenaar moet met de billen bloot – nieuwe partij SLIM is reactie op werkwijze GroenLinks/PvdA
- Je kunt roddelen inzetten voor samenwerking en wedijver
- Raad voor Cultuur roept op tot actieve bescherming van artistieke vrijheid
- VVD wil langere openingstijden horeca tijdens WK voetbal (nu met tip)
- Is het college bekend met de inhoud en problematiek zoals geschetst in de brief van Mixed Hockeyclub Leeuwarden
- Dag meneer Pennewaard, waarom komen mensen die verstand hebben van natuurkunde en kunnen rekenen bijna nooit in de krant aan het woord? (nu met reactie)
- Nieuwe Omroep Hermes in Leeuwarden stelt kwalitatief hoge eisen
- Wethouder Reitsma (CDA) trekt kritiek op Omrop in: Ik had zorgvuldiger taal moeten kiezen
- Grensoverschrijdend gedrag: hulpverleners doen dat toch niet?
- FNP Politiek Café – mechanische gebreken bij Grou mobiel – problemen met Oekraïense vluchtelingen – contact wijkagent Grou moeilijk – fouten bij Mercuriusfontein
- Almachtige PvdA sluit wijkbibliotheek, een bonbondoos met heerlijkheden (uit ons archief)
- Raadsleden op stap met politie in nachtelijk Leeuwarden: alles onder controle
- PEL stelt vragen over woningtoewijzingsbeleid woningcorporatie Elkien
- De vraag waarom bepaalde kiezers in 2021 en 2023 nog wel op Laurens Dassen stemden en nu niet meer, komt niet aan bod
- Streep door Regionaal Opvangcentrum aan de Troelstraweg – FNP: college blijft ongevoelig voor omwonenden
- Professionele podia trekken 10 procent meer bezoek
- Waarde landbouwexport ruim 8 procent hoger in 2025
- Als de mevrouw met haar erotische verhalenboek de deur uit is, zit ik weer een half uurtje alleen
- Huub Mous: Ton Broekhuis (Noorderlicht) schandalig behandeld
- De inspirerende overlevingskunst van het opbouwwerk
- Sietske Poepjes: Ik heb nog nooit zoveel kift meegemaakt
- Volop agressie tegen lokale politici: ‘Na sommige berichten loop ik anders over straat’
- Omrop Fryslân, RTV Drenthe en RTV Noord winnaar van de LangmanPrijs
- Het Heilige Roomse Rijk en de Friese vrijheid
- Nieuwe politiek voor mensen met een arbeidsbeperking?
- Meer bestaande koopwoningen verkocht, minder nieuwbouw
- Iconische slogan Kip, het meest veelzijdige stukje vlees krijgt nieuw leven
- Zevende Dag van de Elfstedentocht in Sneek – Schaatshistoricus Jurryt van de Vooren over de Oranjes en hun warme band met ijs
- Nog een scholenfusie: Voorgenomen bestuurlijke fusie in noord Friesland
- Sybe Knol: Sykje jim noch in aardich en unyk kado foar ûnder de krystbeam? Der binne ek strûpen te krijen
- Praat Nederlands met me







