Pardon, mag ik misschien even storen? Ach let u niet op die gorilla van een barkeeper tegenover mij; hij is on gevaarlijk en spreekt alleen Frans. Wat mijzelf betreft, ik ben een boetedoend leerling. Wat dat betekent, begrijpt u straks wel. Ik stam uit een goed en burgerlijk gezin. Over mijn ouders kan ik kort zijn: beiden stierven toen ik nog nauwelijks uit de wieg was. Mijn vader was, meen ik, postbode, en van mijn moeder weet ik alleen nog, dat ze altijd op vrijdag mijn luiers waste. Wat zegt u? Ja, inderdaad, mijn observatievermogen was al vroeg ontwikkeld. Interessanter is overigens die lange rij van maar liefst twaalf zusters van me, die allemaal zo’n beetje aan maatschappelijk werk deden en het altijd hadden over ‘casework’ en ‘gesprekstechniek’, terwijl ze zich daar bij voortdurend ‘Freudiaans vergisten’. U zou het zo niet zeggen, maar ik hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend identificeren met de navel van de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot een drama of een voorwendsel voor leegloperij. Dat is nu juist de innerlijke gespletenheid die voortkomt uit mijn zelfkennis.
Laatst zat ik in een vergadering en zei iemand tegen me: “Ik pas wel een beetje op mijn woorden, want morgen staat het op je weblog.” Ik antwoordde dat dit helaas onmogelijk was, omdat ik bij mijn toetreden tot deze commissie een contract had moeten tekenen, dat ik niet op mijn log uit de school zou klappen. Soms is het lastig als je een weblog hebt. Als je iemand voor het eerst ontmoet bijvoorbeeld, die zegt dat hij of zij je elke dag trouw op internet volgt. Ik sta dan altijd even met mijn mond vol tanden. ‘Jeetje, wat weet die allemaal van mij?’ Beetje domme vraag natuurlijk. Als je blogt word je gelezen, alleen weet je nooit door wie. Soms is het ook lastig als mensen je weblog lezen, maar dat niet zeggen. Vroeg of laat kom je daar meestal toch wel achter. Bijvoorbeeld als je wat nieuws denkt te vertellen en je toehoorder blijkt opeens wat glazig voor zich uit te kijken. Ach ja, dat had hij al gelezen natuurlijk. Als blogger word je een beetje publiek bezit, of je dat nu leuk vindt of niet.
Wat zegt u? Waarom doe je het dan? Wat zal ik zeggen. Bloggen is een mengeling van ijdelheid, exhibitionisme en de onstuitbare drang om over alles en nog wat je mening te ventileren. Bloggen is misschien ook wel een ‘zoektocht naar je eigen identiteit’, zoals dat tegenwoordig heet. Volgens mij is de wereldwijde zoektocht naar de eigen identiteit door Madonna ooit in gang is gezet. ‘Express yourself, don’t repress yourself.’ Met die woorden heeft zij een trend gezet. Die woorden lijken verdomd veel op de mantra van Pim Fortuyn: ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.’ Of anders wel op het levensmotto van Michael Jackson: ’Show it to the world!’ Eigenlijk is het een beetje zielig dat je zo’n openbare zoektocht naar je eigen identiteit nodig hebt voor je ego. En dat nog wel in het openbaar.
Het is net zoiets als het bekend maken van je eigen IQ. Zoiets doe je niet. Onlangs las ik een overzicht van de IQ’s van bekende Nederlanders. Bovenaan staat Mark Huizinga met een IQ van 142. Daarna komt Rob Oudkerk (137). Diederik Samson (136), Kluun (127), Willibrord Frequin (100), Patty Brard (96), Catherine Keyl (94), Renée van den Kerkhof (87) en Bonie St. Claire (52). Tussen dat soort tuig wil je toch niet dood gevonden worden! Ik weet dat ik niet op mijn achterhoofd gevallen ben, maar dat wil niet zegen dat me erop voor zou willen staan dat ik slimmer gen dan Bonnie St. Clair of Renée van der Kerkhof. Ik heb mijn eigen gaven en beperkingen, zoals ieder mens uniek is. Wat heet, ik ben ik een wonderkind van 67!
Het kortetermijngeheugen wordt wat minder. De gewrichten worden wat stram. Ik word een beetje doof. Maar mijn steunkousen zijn net vernieuwd en staan weer strak om de kuiten. Ik neem mijn pilletjes elke dag en ik ben nog niet van plan om onderzeil te gaan. Het beetje talent dat ik heb zal toch ooit eens wereldwijd erkenning gaan vinden. Nee, doemdenken is mij vreemd. Ik ga tot het gaatje. Read my lips. Ik ben een aanstormend talent dat wat laat op gang is gekomen. Mijn hele leven zat ik mezelf in de weg, maar dat is nu voorbij. Op de rand van het graf zal ik me op de top van Olympus bevinden!
Waarom vertel ik dit allemaal? Gewoon, omdat ik weer een weblog moet schrijven. Waarom ik dat dan doe? Wel, dat is een lang ver haal, maar laat ik eerst dit zeggen, u kunt misschien alles wat ik vertel een onbenullige geschiedenis vinden; misschien zelfs ziet u me aan voor een geblaseerd, binnenstebuiten gekeerd scribent, bij wie het helaas iets te hoog in de bol is geslagen. Het tegendeel is echter waar. Immers, het zelfrespect is een hachelijke zaak: iets te veel, en je bent onuit staanbaar voor een ander; iets te weinig: onuitstaanbaar voor jezelf.
Dit laatste is maar al te vaak op mij van toepassing. Misschien vraagt u zich af wat deze boetvaardige confessies voor mijzelf betekenen. Wel, ik heb ze me opgelegd als penitentie, een boetedoening, niet voor mijn zonden, misdaden of wat dan ook. Nee, ik wil niet beweren dat ik in mijn leven geen vlieg kwaad heb gedaan, maar ik ben nooit en kattenmepper geweest. Ik doe deze confessies alleen voor u. U, die hier voor me zit. Ik ken u niet, maar u bent in feite niet veel anders, vrees ik.
Elke dag vraag ik me af, of ik ook nog wel zonder dat weblog zou kunnen leven. Maar dan denk ik weer, ach zeur niet. Zodra ik tegenover mezelf moet toegeven, dat ik niet meer zonder kan, dan stop ik er acuut mee. Dat heb ik me zelf heilig voorgenomen, maar ik weet natuurlijk donders goed, dat dit een onmogelijke opgave is. Ik ben gedoemd tot het bloggen. Sterker nog, ik blijf bloggen tot ik er bij neerval. En wat is er leuker om over jezelf te schrijven. Et moi, je parle encore de moi, zei Jacques Brel, elke avond zittend aan de bar in Hotel Les Trois Faisans. Ook Gerard Reve raadde iedere beginnende schrijver aan, om toch vooral over jezelf te schrijven. Over kleine, onnuttige dingen, bijvoorbeeld wat je aan hebt en of je kaas of spruitjes lekker vindt of niet, dat soort dingen willen de mensen van je weten. En omdat ik vandaag eigenlijk helemaal niets te vertellen heb, ouwehoer ik maar weer eens wat over een oude foto van mezelf. Jazeker, alles is ijdelheid. Neem de foto die u hierboven ziet bijvoorbeeld.
Ik steek een sigaret aan voor mijn partner. Zo’n gebaar vereist enige nonchalance die ik kennelijk nog niet helemaal onder de knie heb. Het is zaterdag 11 september 1971. Ik zit in de diepzeebar van het Apollohotel in Amsterdam. Niet dat ik in die tijd daar elk weekend zat, maar mijn aanstaande schoonouders vierden hun zilveren huwelijksfeest, dus ik viel met mijn neus in de boter. Let vooral op dat pak. Wat zegt u? Ja inderdaad, strak getailleerd met hoge schoudervulling. Helemaal Carnaby Street. Of anders wel Regent Street of Leicester Square. Ik kocht het overigens gewoon in Amsterdam, op de Heiligeweg, in 1969, dus het was al een beetje versleten. Ik droeg het veel in die tijd. Toen was ik nog ‘a dedicated follower of fashion’. Ik had halfhoge Spaanse laarzen, zelf gekocht op Mallorca.
Mijn bril was van de brillenboetiek Oogappel in de Vijzelstraat. Brillen zijn de enige mode-tik die ik nog altijd heb. De rest is in de loop der tijd behoorlijk verslonst. Mijn lange haren verkeerden in die tijd al in hun nadagen. Ik heb maar een jaar of twee lang haar gehad. In 1972 was het afgelopen. Eigenlijk is het begin van de jaren zeventig de meest modieuze tijd die ik me kan herinneren. Vrouwen droegen lange rokken en schoenen met plateauzolen, een bloemetjesjurk van Laura Ashley of anders wel een hotpant. Kent u dat woord niet? Ach, wat zal ik zeggen. Het had niet veel om het lijf. Die hotpants zijn maar een half jaar in de mode geweest, toen had iedereen het wel gezien. Daarna kwamen de broekpakken en de tuinbroeken. Daar heb ik me nooit aan gewaagd. Ik heb nog wel eens in zo’n mal topje gelopen zonder mouwen, maar dat was geen gezicht.
Ook kocht ik in 1972 in een boetiek op de Nieuwendijk een rode leren ceintuur van wel 10 centimeter breed. Ook dat was geen gezicht, maar je moest wat. Het was ook erg hip om allerlei appliqué’s op je spijkerbroek te laten naaien. Ik heb zelfs een tijdje met aardbeien op mijn zitvlak gelopen, totdat iemand friemelende gebaren achter mijn rug begon te maken. Broeken met wijde pijpen, ook zoiets. Ik heb er altijd het land aan gehad. De broek bij dit pak kon er nog net mee door. Eigenlijk vind ik de stropdas nog het mooist. Die was heel breed en had een Kashmir-motief. Helemaal up to date in die tijd. Zeg nu zelf, ik mocht er best wezen, vindt u niet? Maar kom, doe maar net of u niets gehoord hebt. Neem nog een borrel. Nee heus, die gorilla bijt niet. En trouwens, al zou hij bijten, ‘t is ook maar een mens. Gelukkig maar.




