
Delacroix, Hamlet en Horatio op het kerkhof, 1839.
In het midden van de jaren zeventig volgde ik een jaar lang colleges bij professor Ovink. Hij doceerde destijds de geschiedenis van de boekdrukkunst aan de Universiteit van Amsterdam. Ik vond dat wel een leuk bijvak voor mijn doctoraalexamen kunstgeschiedenis. Zo zat ik elke dinsdag de hele middag met een zestal medestudenten in een bovenzaaltje van de Universiteitsbibliotheek aan het Koningsplein te luisteren naar verhalen over het ontstaan van het Romeinse alfabet dat door steenhouwers is gevormd. Maar hij vertelde ook over Garamond, de Diderot, de Times en de Helvetica. Over de uitvinding van de boekdrukkunst en de wiegedrukken aan het eind van de vijftiende eeuw. Ovink had de neiging om de hele kunstgeschiedenis te reduceren tot de vormgeving van één enkele letter door de eeuwen heen. Aan de x-hoogte en de schreef kon je niet alleen de Barok herkennen, maar ook de Rococo, het Neoclassicisme en de Romantiek. Elke stijlperiode heeft zijn kenmerken in de typografie van de tijd. Ik heb dat altijd een mooie metafoor gevonden. ‘Ex unque leonem’: aan de nagel herken je de leeuw. Laat mij één letter zien, en ik zal zeggen wanneer het boek is gedrukt.



