
De ene droom na de andere vannacht. Teveel om op te noemen. Eén droom is me bijgebleven. Ik was aan het wandelen in Bilgaard, de noordelijke stadswijk van Leeuwarden met galerijflats uit de jaren zestig, de tijd van de wederopbouw toen hoogbouw de oplossing leek te zijn voor de snelle groei van het aantal inwoners van de stad. Er werd daar flink gerenoveerd. De meeste flats werden afgebroken om plaats te maken voor futuristisch ogende woningbouw. Ik verbaasde me over de experimentele parkaanleg, waarbij tropische speelstrandjes met cipressen en palmbomen werden afgewisseld door afwerkplekken voor straatprostituees en heroïneverslaafden. De politie keek toe hoe vrouwen werden opgepikt. Ook pooiers en drugsdealers hielden zich op in de buurt. Het was nog vroeg. In de takken van de bomen zaten vogels, roerloos en met opgezette veertjes in de kille ochtendbries. De lauwe geur van natte kranten vermengde zich met de tinteling van het naderende hoogseizoen. Ik realiseerde me opeens dat ik in de toekomst liep.
Ik kwam een oud-geliefde tegen op straat. We dronken een kop koffie in de snackbar naast Albert Heijn, bij het begin van de Bilgaard-passage. Even leek alles als voorheen. Toen zei ik iets verkeerds en het was weer als vanouds. Er ontplofte iets. Geen mijnenveld, maar een munitiedepot. De ravage was enorm. “Dit moet stoppen,” zei ze. Maar dat had ik al eens eerder gehoord. Verwonderd keek ik om me heen.



